Sen en de sociale imbecielen

Voor de Indiase econoom/filosoof en Nobelprijswinnaar Amartya Sen, die vandaag in Utrecht een eredoctoraat ontvangt, is de mens veel meer dan een rationele egoïst. Terwijl in Amerika de economen die bekend werden als The Chicago Boys handboeken schreven waarin werd uitgelegd waarom hebzucht goed is (‘greed is good’), ontwikkelde de Indiase econoom en filosoof Amartya Sen zijn ideeën over de praktische en duurzame voordelen van juist minder hebzucht. Terwijl Milton Friedman zijn ‘rugged American individualism’ uitwerkte in boeken als Capitalism and Freedom, verdiepte Sen zich in de oorzaken van hongersnoden. Economen als Friedman en Friedrich Hayek gingen Ronald Reagan en Margaret Thatcher voeden met het idee dat de overheid zo klein mogelijk moest zijn en dat alles overgelaten kon worden aan de markt. Sen begon in dezelfde tijd onder de paraplu van de Verenigde Naties zijn onderzoek naar de manier waarop de kwaliteit van het leven in ontwikkelingslanden gemeten en verbeterd kon worden.

Moordende concurrentie

Er ontstonden in de jaren tachtig van de vorige eeuw twee economische werelden. Uit de denkbeelden van Friedman en Hayek groeide het neoliberalisme, dat in de vorm van robuuste privatiseringen een einde maakte aan de min of meer geleide economie in de geest van Maynard Keynes. Zelfs de Europese sociaaldemocraten gingen erin mee. Alsof het op een andere planeet was, leefden bij de Verenigde Naties heel andere ideeën: daar raakte men ervan overtuigd dat ontwikkelingseconomie helemaal niet alleen hoefde te bestaan uit louter hulp, maar dat er ook echt een winstgevende economie in kon zitten, die ook nog alle ruimte liet aan de vrijheid.

Alan Greenspan maakte het ondertussen als directeur van de Amerikaanse Federal Reserve Bank (Fed) de neoliberale economen naar de zin door de lessen in selfishness in de praktijk te brengen die hij had geleerd van de schrijfster Ayn Rand, van wie hij de devote vertrouweling was geweest. Zij schreef romans als The Fountainhead en Atlas Shrugged. Daarin beschrijft ze een maatschappij van superkapitalisten die beheerst wordt door hebzucht en waarin moordende concurrentie elke vriendschappelijke verhouding tussen mensen onmogelijk maakt. Het werk van The Chicago Boys, Friedrich Hayek en Alan Greenspan heeft geleid tot de nog steeds voortdurende economische en financiële crisis die begon in 2008. Het werk van Sen daarentegen, dat hij deed aan Engelse, Amerikaanse en Indiase universiteiten, heeft er mede voor gezorgd dat India momenteel een bloeiende economie heeft en een werkende democratie, met alle rafels die daarbij horen.

Sociale imbecielen

Dat Sen heel anders over economie denkt dan mensen als Friedman en Greenspan is vooral het gevolg van zijn belangstelling voor filosofie en literatuur. Friedman en zijn mannen zijn homo economici, die zijn van top tot teen op economie ingesteld, dat wil zeggen: op het maken van winst. Alsof je helemaal van hout bent.

De homo economicus als de beperkte mens, de mens met oogkleppen, is het onderwerp van een vermaard geworden artikel van Sen uit 1977: ‘Rational fools’. Dit is het artikel over ‘de traditionele economische theorie’ waarin de ‘rationele egoïst’ meent dat mensen altijd alleen maar aan hun eigen belang denken, als een wetmatigheid. De rationele gek denkt dat het een algemene neiging is, terwijl het alleen zijn eigen blinde drang is om zijn belang veilig te stellen. Het valt buiten het voorstellingsvermogen van de rationele egoïst dat er zoiets als altruïsme zou kunnen bestaan, dat mensen zich betrokken kunnen voelen bij het lot van grote groepen andere mensen, dichtbij of veraf. Sen zegt het op zijn beheerste manier zo: ‘Het bestaan van niet-winstmaximaliserende antwoorden, waaronder eerlijk gemeende, brengt meteen de betrokkenheid in het vizier als onderdeel van het gedrag.’ In die traditionele economie moet er nog op gewezen worden dat ‘een samenleving niet mogelijk is zonder een aantal normen en gedragsregels’.

‘De zuiver economisch denkende mens heeft veel weg van een sociale imbeciel,’ schrijft de anders zo onderkoelde Sen. Deze zuiver economisch denkende mens is verwant aan een personage uit het werk van Charles Dickens, dat Sen graag mag raadplegen om er voorbeelden uit te halen van grotesk simplistisch of onrechtvaardig gedrag. Zowel Sen als zijn collega Martha Nussbaum is goed bekend met Mr. Gradgrind uit de satire Hard Times. Dat is de man van de’Philosophy of facts’ die zijn leerlingen louter feiten bij wil brengen, want iets anders is niet van belang. Iets anders dan feiten zou hen maar afhouden van waar het echt om gaat in het leven: om tellen, om calculeren. Het is ook helemaal niet de bedoeling dat de leerlingen zich iets gaan afvragen. ‘Never wonder!’ roept Gradgrind uit tegen zijn dochter wanneer die een zin begint met ‘I wonder’. Wanneer kinderen zich dingen gaan afvragen, krijg je meteen te maken met ‘sentiments and affections’ en dat houdt het streng redeneren alleen maar op.

Petroleumtanks

Sens opvallendste verdienste (daarvoor kreeg hij ook de Nobelprijs) is dat hij afstand nam van de Gradgrinds in de wereldeconomie. Hij zorgde voor een paradigmawisseling in de manier waarop ontwikkeling en welstand in ontwikkelingslanden werden bepaald. Dat gebeurde tot die tijd op basis van de brute feiten van het Bruto Nationaal Product (BNP), en nergens anders op. Sen vond dat er veel meer in aanmerking moest worden genomen: gezondheidszorg, scholing, sociale samenhang, ziekteverzekeringen, vrijheid van vereniging, politieke participatie, gelijkheid, religieuze tolerantie. Dat deze bredere kijk ingang vond, had alles te maken met de oprichting van het World Institute for Development Economics Research door de Verenigde Naties, waar Sen rond 1990 samen met Martha Nussbaum voor werkte om filosofie met economie te verbinden. Allebei zijn ze naast econoom ook filosoof. Zoals literatuur een econoom contact kan laten houden met het leven zoals het echt geleefd wordt, zo kan de filosoof hem vertrouwd maken met de politieke, morele en ethische vragen en kwesties in een moderne samenleving.

Een van de terugkerende filosofische hete hangijzers in Sens werk is de polemiek die hij voert met de utilitaristen, degenen die uit zijn op het grootst mogelijke geluk voor het grootste aantal mensen. In de praktijk komt dit er volgens Sen altijd op neer dat mensen louter gezien worden in hun nuttige hoedanigheid: ‘Persons do not count as individuals in this any more than individual petrol tanks do in the analysis of the national consumption of petroleum.’ Sens hele economische filosofie is gericht op het zo rijk en veelzijdig mogelijk maken van alles wat hij onderzoekt: de mensen waarom het gaat, de instituties waarmee hij te maken heeft en de politieke filosofie waardoor men zich een richting geeft. Zoals de rationele gek een versimpeling en reductie was, zo is de nuttige, louter op zijn geluk uit zijnde mens een gekrompen versie van de mens.

Abstract

Sens filosofische kant maakt dat hij niet aan zijn eigen tijd gebonden is voor het verwerven van bruikbare kennis. Zo ontleende hij aan keizer Asoka uit de derde eeuw voor Christus de wijsheid dat het met jezelf ook niet zo goed gaat als vrienden of bekenden met tegenspoed te kampen hebben. Dit idee komt terug wanneer Sen het in zijn essay over de rationele gekken heeft over medeleven en betrokkenheid. Bij Asoka is duidelijk sprake van medeleven, want je eigen welbevinden hangt af van een ander. In het geval van betrokkenheid is de afstand groter, maar mogelijk ook kleiner wanneer de betrokkenheid inhoudt dat er opofferingen worden gevraagd: wanneer het je wat kost. Op allerlei manieren keert bij Sen het verschil tussen abstract en concreet terug. Allereerst in de niet zelden tamelijk abstracte redeneringen in zijn werk, hoezeer hij ook zijn best doet om zo concreet mogelijk te zijn. Soms is het zo abstract dat je je afvraagt waar het verband met het reële leven nog is.

Niti en Nyaya

In het klassieke Sanskriet bestaan twee woorden voor ‘rechtvaardigheid’: niti en nyaya. Niti staat voor evenwichtige organisaties en passend gedrag, nyaya voor de uitkomst van de geleefde rechtvaardigheid van een individu. Dit verschil tussen instituties en individuen is ook de bron van de kritiek die Sen heeft op iemand voor wie hij anderzijds de grootste bewondering heeft: de Amerikaanse politiek filosoof John Rawls, met wie hij in Harvard ook een tijd heeft samengewerkt.

In Sens boek Het idee van rechtvaardigheid (2009, net in vertaling uit) komt Rawls zo vaak voor dat de verwijzingen in het register een heel grijs blok vormen. Het boek is dan ook Sens antwoord op Rawls Een theorie van rechtvaardigheid uit 1971. In uiterst versimpelde bewoordingen is Sens beschaafde verwijt aan Rawls dat hij zich te veel met de rechtvaardigheid van instituties heeft beziggehouden en te weinig met de eindeloos gevarieerde levens van individuen. Bovendien staat in Rawls’ liberale theorie vrijheid bovenaan als ‘eerste beginsel’, boven economische en sociale gelijkheid. Sen vindt dit ‘extreem’. Zoveel vrijheid wringt met rechtvaardigheid. Waarom, vraagt hij, zouden we honger, hongersnood en gebrek aan medische zorg als minder belangrijk beschouwen ‘dan het schenden van enigerlei soort van persoonlijke vrijheid?’ Ook al heeft Rawls de vrijheid in een later boek (Political Liberalism) minder extreem gemaakt, bij Sen smeult het na omdat Rawls ook in andere opzichten te veel in idealen denkt en te weinig met de onvolkomen werkelijke stand van zaken.

Sen wil dat rechtvaardigheid een levend begrip is dat niet vastligt. Er moet voortdurend over gediscussieerd worden, steeds weer opnieuw bij nieuwe dilemma’s. Recht­vaar­digheid is dan ook een vast onderdeel van wat Sen en Nussbaum hun capabiliteitsbenadering noemen bij de bepaling van het ontwikkelings­niveau, waar ook in de wereld. Ze kijken dus niet meer als eerste naar het Bruto Nationaal Product, maar naar de ‘vermogens’ van mensen. De vraag moet zijn wat elke persoon kan doen en kan zijn. Wat houdt hem er van af, wat zijn de belemmeringen? Die kunnen in ontwikkelingslanden aanzienlijk zijn. Door de benadering van Sen en Nussbaum worden ze gezien, benoemd en in kaart gebracht, ter verbetering of verandering. Er zijn aangeboren vermogens, er zijn inwendige vermogens (persoonlijke, aangeleerde kenmerken) en essentiële sociale vermogens, zoals de mogelijkheid om onderwijs te genieten, deel te nemen aan de politiek, niet gediscrimineerd te worden. Vrij zijn van belemmeringen, je vermogens aan kunnen wenden: dat is vrijheid. Het bepaalt de kwaliteit van het leven.

Sen is geen utopisch filosofisch econoom. Hij is nadrukkelijk uit op stapsgewijze verbetering (‘piecemeal engineering’ volgens Karl Popper), zich scherp bewust van alle mogelijke onvolkomenheden in de landen waar zijn advies wordt gevraagd. Daar moet dan iets aan gedaan worden. Hij maakt het zich daarbij niet makkelijk door een pluralist te zijn. Als pluralist geeft hij ruimte en houdt hij rekening met het feit dat je onafgebroken te maken hebt met verschillen, conflicten en tegenstellingen, die soms ook onoplosbaar zijn. Pluralisme in de politieke filosofie is de moeilijkste, maar ook de vruchtbaarste weg omdat het ruimte geeft aan een koor van tegen elkaar in zingende stemmen, standpunten en overtuigingen. Toch is Sen ook weer geen supporter van het multiculturalisme. Hij is voor verschillen en verscheidenheid, maar met het accent op culturele en nationale eenheid volgens de formule ‘eenheid in verscheidenheid’.

Zin en conflicten

Sen heeft ook te maken met kritiek. Een veel gehoord bezwaar, afkomstig van de Engelse politiek filosoof John Gray en de Amerikaan Kwame Anthony Appiah, is dat Sen ‘blind is voor de alomtegenwoordige onredelijkheid’. Hij denkt, een kwaal van ‘many liberal philosophers’ schrijft Gray, dat ‘menselijke conflicten het gevolg zijn van intellectuele vergissingen’. Mensen hebben volgens Gray conflicten omdat ze zin hebben in conflicten. Daar zit niets redelijks bij. Gray schrijft dit naar aanleiding van Sens boek Identity and Violence, waarin hij zich keert tegen de versmalling van identiteiten tot religieuze, nationale of geslachtelijke groepen mensen. Ook hier wil Sen de identiteit gecompliceerder maken, verbreden en verruimen, zodat iemand niet alleen samenvalt met zijn geloof, maar liefst met wel tien kenmerken, eigenschappen of overtuigingen.

Amartya Sen is een beschaafd econoom en filosoof met een onnadrukkelijke, maar vaste kijk op alles waar hij zich betrokken bij voelt. Hij is, in Europese termen, een sociaaldemocraat met een ironisch oog voor de greed is good-aanhangers, ‘de mensen die zich moeten verdrinken in champagne en moeten begraven in kaviaar om op een normaal genotsniveau te geraken – het niveau dat u en ik bereiken met een sandwich en een glas bier.’ (bron)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s